Het ritme van het hart wordt bepaald door de sinusknoop, een klein bundeltje cellen in de rechterboezem. De elektrische prikkels daarvan lopen via de boezems naar de kamers en zetten elke hartslag in gang. In rust klopt het hart van een volwassene meestal 60 tot 100 keer per minuut. Artsen spreken van een ritmestoornis als het te snel, te langzaam of onregelmatig klopt.
Veel ritmestoornissen zijn onschuldig. Losse extra slagen, voelbaar als een overslag of een kort wegvallen, kennen de meeste mensen, bijvoorbeeld na koffie, alcohol, stress of een korte nacht. Andere hebben behandeling nodig, omdat ze de pompfunctie verminderen of ernstige gevolgen kunnen hebben. Doorslaggevend is of het hart verder gezond is en welke klachten optreden: hartjagen, duizeligheid, kortademigheid, verminderde conditie of een korte flauwte.
De meest voorkomende aanhoudende ritmestoornis is boezemfibrilleren. De boezems trekken daarbij ongeordend samen, de pols wordt onregelmatig en vaak snel; sommige mensen merken er helemaal niets van. Omdat zich in de fibrillerende boezems stolsels kunnen vormen, verhoogt het het risico op een beroerte. Met de leeftijd komt het vaker voor, in de hand gewerkt door hoge bloeddruk, overgewicht, diabetes, slaapapneu en alcohol.
Klopt het hart blijvend te langzaam, bijvoorbeeld omdat de prikkelgeleiding met de jaren afneemt, dan neemt de belastbaarheid af: vermoeidheid, duizeligheid en flauwvallen kunnen het gevolg zijn; dan komt vaak een pacemaker in aanmerking. Ernstiger zijn snelle ritmestoornissen die van de hartkamers uitgaan. Ze treden meestal op bij een eerder beschadigd hart en kunnen overgaan in kamerfibrilleren, een hartstilstand. Dan zijn direct hartmassage en een defibrillator nodig.