Bij een hartinfarct raakt een kransslagader afgesloten, meestal door een bloedstolsel op een plek die al door afzettingen vernauwd was. De hartspier daarachter krijgt geen zuurstof meer en raakt beschadigd, des te meer naarmate de afsluiting langer duurt. De basis is bijna altijd een coronaire hartziekte, in de hand gewerkt door hoge bloeddruk, roken, diabetes, verhoogde bloedvetten, overgewicht, te weinig beweging en erfelijke aanleg.
Typisch is een drukkend, beklemmend of branderig gevoel achter het borstbeen dat langer dan vijf minuten aanhoudt en kan uitstralen naar armen, hals, kaak, rug of bovenbuik. Vaak komen daar kortademigheid, misselijkheid, koud zweet en onrust bij. Wie zulke signalen opmerkt, belt 112.
Bij hartfalen, medisch hartinsufficiëntie, pompt het hart niet meer genoeg bloed door het lichaam. Veelvoorkomende oorzaken zijn een coronaire hartziekte of een eerder infarct, langdurig hoge bloeddruk, aandoeningen van de hartkleppen, een ontsteking van de hartspier of ritmestoornissen. Meestal ontwikkelt het zich geleidelijk: u kunt minder aan, bij inspanning of liggend wordt u kortademig, enkels en benen zwellen op en het gewicht stijgt door vocht dat wordt vastgehouden.
Hartfalen wordt acuut als het snel verslechtert, bijvoorbeeld door een infectie, een nieuwe ritmestoornis, een infarct of vergeten medicijnen. Dan hoopt vocht zich op in de longen en valt ademen al in rust zwaar. Bij beide noodgevallen geldt: het hart ontlasten en de oorzaak vinden. Bij een infarct moet het afgesloten bloedvat zo snel mogelijk weer doorgankelijk worden, in de regel via een hartkatheterisatie in een centrum met een hartkatheterisatiekamer.