Een gewricht wordt bij elkaar gehouden door banden en het gewrichtskapsel, de gewrichtsvlakken zijn bekleed met glad kraakbeen. Zwikt de voet om, draait de knie of vangt de hand een val op, dan kunnen deze structuren worden overrekt of scheuren. Het vaakst gaat het om het bovenste spronggewricht, meestal de buitenste enkelband.
De letsels lopen uiteen van een verstuiking, waarbij de banden alleen overrekt zijn, via een band- of kapselscheur tot een ontwrichting, de luxatie: daarbij verliezen de gewrichtsvlakken het contact met elkaar, bijvoorbeeld bij schouder, elleboog, knieschijf of vinger. Bij grote kracht kan bovendien een stukje kraakbeen afschuiven, soms met bot eraan vast.
Zwelling, een blauwe plek en pijn zeggen weinig over hoe ernstig het letsel is. Doorslaggevend zijn het testen van de stabiliteit en de beeldvorming: de röntgenfoto sluit een breuk uit, echografie en MRI tonen banden, kapsel en kraakbeen. Blijft een bandletsel onopgemerkt, dan kan het gewricht blijvend instabiel worden en steeds weer omzwikken.
Tot het onderzoek door een arts helpt de RICE-regel: rust, ijs (nooit direct op de huid), compressie met een elastisch verband en hoog leggen. Een ontwricht gewricht hoort snel in handen van een arts – wie het zelf probeert terug te zetten, kan zenuwen, bloedvaten en kraakbeen beschadigen.