De gal stroomt van de lever via de galgang naar de twaalfvingerige darm. Vlak voor de uitmonding, bij een kleine verhoging in de darmwand, de papil, komt de galgang meestal samen met de afvoergang van de alvleesklier. Stenen in de galgang komen meestal uit de galblaas en zijn van daaruit verplaatst. Minder vaak ontstaan ze in de galgang zelf, soms nog jaren na het verwijderen van de galblaas.
Zolang een steen de afvoer niet belemmert, blijft hij vaak onopgemerkt. Blokkeert hij de afvoer, dan stuwt de gal terug: huid en ogen kleuren geel, de urine wordt donker, de ontlasting licht, vaak met pijn in de bovenbuik en jeuk. Twee gevolgen zijn ernstig – een ontsteking van de galwegen met koorts en koude rillingen, de cholangitis, en een ontsteking van de alvleesklier als de steen in de papil vastzit. Dan is snel handelen nodig.
Eerste aanwijzingen geven een echo en bloedwaarden: de opgestuwde galgang is verwijd, gal- en leverwaarden stijgen. Blijft er twijfel, dan maken een endo-echografie of een MRI van de galwegen (MRCP) duidelijk of er echt een steen is. De ERCP is tegenwoordig vooral een behandelmethode en wordt ingezet als een steen is aangetoond of zeer waarschijnlijk is.
De ERCP maakt de galgang vrij; de galblaas blijft daarbij onaangeroerd. Bevat die zelf stenen, dan kunnen er nieuwe nazakken; daarom volgt in de regel de minimaal invasieve galblaasverwijdering, bij voorkeur zo snel mogelijk na de ERCP. Behalve stenen behandelt de ERCP ook vernauwingen van de galwegen, bijvoorbeeld door littekens of tumoren. Na een maagbypass is de weg naar de twaalfvingerige darm omgeleid; dan plannen gastro-enterologie en chirurgie de toegang samen.