Het hart wordt elektrisch aangestuurd. Voor elke slag verspreidt een prikkel zich over de boezems en de kamers, vanuit de sinusknoop, de natuurlijke pacemaker. De spanningen die daarbij ontstaan zijn minuscuul, maar kunnen op de huid worden gemeten. Het elektrocardiogram, kortweg ecg, legt ze vast als curve. Het meet alleen en geeft zelf geen stroom af.
Voor het rust-ecg worden meestal tien elektroden op borstkas, armen en benen geplakt. Daaruit berekent het apparaat twaalf afleidingen, dus twaalf gezichtspunten op dezelfde hartactie. De registratie laat zien hoe snel en hoe regelmatig het hart klopt en of de prikkel ongestoord wordt voortgeleid. Ook tekenen van een recent of eerder hartinfarct, een verdikte hartwand of veranderde bloedzouten kunnen erin te zien zijn. Wat maar af en toe optreedt, ontgaat deze momentopname echter gemakkelijk.
Hier komt het holter-ecg in beeld. Een klein registratieapparaat, via een paar plakelektroden met de borst verbonden, loopt meestal 24 tot 48 uur mee, ook ’s nachts. In een dagboekje noteert u wanneer klachten optraden en wat u op dat moment deed. Zo is te achterhalen of hartoverslagen, hartjagen, duizeligheid of een korte flauwte door het hartritme komen. Na een beroerte zoekt de registratie naar onopgemerkt boezemfibrilleren. Zijn klachten zeldzaam, dan komen langere registraties in aanmerking, bijvoorbeeld met een eventrecorder.
Bij het inspannings-ecg, de fietstest, trapt u op een vaststaande fiets tegen een weerstand die stapsgewijs toeneemt. Ecg, pols en bloeddruk worden voortdurend bewaakt en er is een arts bij. Het onderzoek laat zien hoe belastbaar u bent en hoe bloedsomloop en ritme op inspanning reageren. Tekenen van een verminderde doorbloeding van de hartspier bij belasting wijzen op vernauwde kransslagaders. Om zo’n vernauwing aan te tonen, adviseert de Duitse nationale zorgrichtlijn voor coronaire hartziekte tegenwoordig eerder beeldvormende technieken. Tijdens een behandeling levert het inspannings-ecg echter nog steeds belangrijke informatie.