Botten zijn stevig, maar niet onbreekbaar. Een val op de gestrekte hand, een verkeers- of arbeidsongeval, een ongelukkig moment bij het sporten – en het bot geeft mee. Kenmerkend zijn hevige pijn, zwelling en een blauwe plek, en daarbij een plek die niet meer bewogen of belast kan worden. Soms staat een arm of been zichtbaar scheef.
Niet elke breuk is van buitenaf te zien. Pas de röntgenfoto laat zien waar het bot gebroken is, of de botstukken verschoven zijn en of een gewricht is betrokken; bij ingewikkelde breuken helpt een CT-scan met een driedimensionaal beeld. Even belangrijk zijn huid, zenuwen en bloedvaten: een open breuk, waarbij ook de huid beschadigd is, moet snel worden behandeld, omdat er ziektekiemen kunnen binnendringen.
Het principe van de behandeling is eenvoudig: de botstukken moeten in de juiste stand stil blijven liggen tot nieuw bot ze verbindt. Bij stabiele breuken lukt dat met gips, een spalk of een brace. Zijn de fragmenten verschoven of is een gewricht betrokken, dan worden ze operatief rechtgezet en vastgezet met platen, schroeven of een mergpen – een metalen staaf in lange botten zoals het dijbeen of het scheenbeen.
Op hogere leeftijd is vaak al een val in huis genoeg, omdat botontkalking (osteoporose) het bot heeft verzwakt; kenmerkend is de heupfractuur. Dan gaat het om meer dan de breuk: om snel weer opstaan, om het voorkomen van trombose en longontsteking en om de vraag hoe het dagelijks leven daarna weer gaat.