De slokdarm heeft aan de binnenkant een stevige, meerlagige bekleding. Stroomt er jarenlang steeds weer maagsap terug, dan kan het slijmvlies aan het onderste uiteinde zich omvormen: het krijgt een vorm die normaal in de darm voorkomt en is beter bestand tegen het zuur. Deze omvorming is genoemd naar de chirurg die haar beschreef – Barrett-slokdarm. Zelf geeft een Barrett-slokdarm geen klachten; vaak wordt hij ontdekt bij een maagonderzoek vanwege brandend maagzuur.
De diagnose staat vast als twee bevindingen samenkomen. Bij de endoscopie reikt zalmkleurig slijmvlies minstens één centimeter de slokdarm in, en in de weefselmonsters worden darmachtige cellen met zogeheten slijmbekercellen gevonden. Kortere veranderingen direct bij de overgang naar de maag gelden niet als Barrett-slokdarm en hoeven zonder verdere afwijkingen niet te worden gecontroleerd.
Een Barrett-slokdarm verhoogt het risico op een bepaalde vorm van slokdarmkanker, het adenocarcinoom. Daaraan gaan meestal celveranderingen vooraf die specialisten dysplasie of intra-epitheliale neoplasie noemen en als laaggradig of hooggradig indelen. Ze geven geen klachten en worden vaak pas in de weefselmonsters zichtbaar – vandaar de regelmatige controles.
Zichtbare, verdachte plekken worden via de endoscoop verwijderd, bijvoorbeeld met een mucosaresectie. Het verwijderde weefsel laat zien hoe diep een verandering reikt en daarmee of de endoscopische behandeling volstaat. Om het risico op nieuwe afwijkingen in het overige Barrett-slijmvlies te verkleinen, voorzien de richtlijnen daarna in de regel in het wegbranden van dat slijmvlies, bijvoorbeeld met radiofrequente ablatie, een gerichte warmtebehandeling via de endoscoop. Slijmvlies zonder dysplasie wordt daarentegen niet behandeld, maar gecontroleerd.